29|5|1938 - 5|9|2008
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Ritsaert ten Cate

Volgens Ruud Engelander

Een nachtelijke omelet als begin van een vriendschap

Herinneringen van vriend en collega Ruud Engelander.

Ritsaert ten Cate in Theater Mickery, Loenersloot, 1967.
Ritsaert ten Cate in Theater Mickery, Loenersloot, 1967. Fotograaf onbekend. Collectie Theater Instituut Nederland.
In de tijd dat Ritsaert ten Cate Mickery begon kon iemand die in toneel geïnteresseerd was alle voorstellingen die in een seizoen in Nederland werden gemaakt bekijken. En dan had hij nog genoeg avonden over om gezellig thuis te blijven. En als hij daar geen behoefte aan had kon hij ook alle dansproducties gaan zien, en alle opera’s, en dan nog waren er dagen dat hij ’s avonds niets te doen had. Kijk de oude Theaterjaarboeken er maar op na. De situatie is op geen enkele manier te vergelijken met die van vandaag, nu je drie levens nodig hebt om het theaterbedrijf in Nederland een beetje bij te houden. Zo was het toen Mickery begon, zo was het tot de Actie Tomaat het toneelbestel hielp openbreken. Er kwamen meer gezelschappen, er kwam geld voor incidentele producties en het Nederlandse theater maakte een ongekende bloeiperiode door, zowel kwantitatief als kwalitatief.

Ritsaert ten Cate was geen theaterpoliticus. Toen hij zijn boerderij in Loenersloot ombouwde tot theater deed hij dat omdat hij dingen miste. Het theater dat hij als student in Bristol had leren kennen was hier niet te vinden. Dus besloot hij het zelf te importeren en zo nodig: te produceren. Precies op het moment dat het stuwmeer aan jonge theatermensen dat in Nederland was ontstaan wanhopig op zoek was naar mogelijkheden om zichzelf te manifesteren kwam hij met de buitenlandse voorbeelden: zó kan het dus ook. Je hebt geen schouwburg nodig om toneel te maken, het kan ook in een oude schuur of op de deel van een verbouwde boerderij. Het kan met geld, met een beetje geld, en misschien zelfs zonder geld.

Ritsaert en ik ontmoetten elkaar voor het eerst in 1968 in het net geopende Amsterdamse Universiteitstheater aan de Nieuwe Doelenstraat, het hoofdkwartier van wat toen nog het Instituut voor Dramatische Kunst heette. Paul Binnerts die daar als assistent van oprichter/ hoogleraar Benjamin Hunningher werkte had van de Universiteit van Amsterdam wat geld weten los te peuteren om een serie buitenlandse theatervoorstellingen te presenteren, die zich onder de titel “Franje/Fringe” graag afzette tegen het op zekerheid varende Holland Festival. Ik werkte daar een paar dagen per week als kandidaat-assistent en hielp Paul bij het produceren van het programma. Ritsaert wilde ons graag ontmoeten, want we deden iets wat wel erg leek op wat hij ook deed in Loenersloot: alternatieven laten zien.

Zo raakten we aan de praat en dat werd een gesprek dat nooit meer ophield. Ik bezocht alle voorstellingen die hij in Loenersloot presenteerde en op een avond, toen de bar eindelijk sloot, zei hij ”Zal ik een eitje voor je bakken?” We reden met een waarschijnlijk onverantwoord hoge snelheid achter elkaar aan over de kronkelige Rijksstraatweg via Abcoude naar de Bijlmermeer, waar hij toen woonde en waar we in zijn voornamelijk met kunst gemeubileerde flat een nachtelijke omelet tot ons namen. We waren kennelijk vrienden geworden.

Ritsaert ten Cate (met zonnebril) en naast hem Jacques Heijer (links, met bril), Nancy 1975.
Ritsaert ten Cate (met zonnebril) en naast hem Jacques Heijer (links, met bril), Nancy 1975. Foto: onbekend. Collectie Theater Instituut Nederland.
We verkenden het internationale theaterlandschap dat toen in volle ontwikkeling was. Hij was vaak op reis om voorstellingen te zien en ik hield me bezig met het internationale studententoneel, waardoor ik de gelegenheid had veel festivals te bezoeken in plaatsen als Zagreb, Parma, Wroclaw en Nancy. Het interessante was dat veel van dat studententoneel zich bezighield met vormgevingsexperimenten, met nieuwe auteurs, met het verkennen van de mogelijkheden van het theater. Daardoor was het in ieder geval qua intentie vrijwel niet te onderscheiden van wat er in de Britse fringe gebeurde, of off-off-Broadway. Dus ik nam Ritsaert mee op sleeptouw naar het festival in Nancy, opgericht door de latere minister Jack Lang, begonnen als een festival voor studententheater, maar al snel uitgegroeid tot het belangrijkste festival voor “nieuw” theater.

Alles was nieuw op zo’n festival. Niemand wist van tevoren wat hij te zou krijgen. Ja, er waren geruchten: dit moet je zien, dat mag je niet missen! Soms viel het mee, soms viel het tegen. Soms wist je het even niet. Toen we in 1971 Deafman Glance van de in Europa nog volstrekt onbekende Bob Wilson gingen zien, vonden we het stuk zich wel erg langzaam voltrekken en na het eerste van de vijf uur durende voorstelling in het Grand Théâtre van Nancy gaven we toch de voorkeur aan een steak-frites. Maar de beelden die we hadden gezien lieten ons niet los. “Die palmboom… het leek toch echt alsof die in dat uur een stuk groter was geworden…”, zeiden we peinzend tegen elkaar en we besloten de volgende avond weer te gaan en dan de hele voorstelling te zien. De rest is geschiedenis.

Voor mij waren de jaren zeventig één grote ontdekkingsreis en voor Ritsaert gold hetzelfde, maar hij was ook de directeur van een theater dat geprogrammeerd moest worden. Hij wilde natuurlijk graag de ontdekkingen uit Nancy of Wroclaw in Mickery laten zien, maar voor veel groepen, vooral die van buiten Europa, was het niet mogelijk hun verblijf te verlengen: de tickets waren al gekocht en de data stonden vast. Toen besloot hij om zich in een vroeger stadium op de hoogte te stellen van wat er op het programma zou komen te staan en de voorstellingen die hem van belang leken zelf eerder te gaan bekijken. Ook probeerde hij andere theaters met internationale programmering bij zijn plannen te betrekken, om de vaak hoge kosten te delen. In die zin liep hij voorop op de internationale theaternetwerken die vanaf het begin van de jaren 80 zo belangrijk zouden worden.

Ritsaert was een gevoelige man, maar hij liep niet met zijn gevoelens te koop. Je hoorde hem zelden zijn stem verheffen. Ik heb hem één keer woedend gezien (en gehoord): de Japanse groep Tenjo Sajiki  maakte tijdens de manifestatie Sonsbeek buiten de Perken in 1971 een door Mickery geproduceerde voorstelling op de markt in Arnhem en voortdurend kwam hun technische man met nieuwe voorwaarden. Anders: “No show!” Ritsaert ontstak in hevige woede en wees hem in heldere termen op de gemaakte afspraken, op een toon die ver buiten Park Sonsbeek te horen moet zijn geweest. Daarna hadden we geen last meer van Japanse ultimatums.

Beeld uit de voorstelling An die Musik.
Beeld uit de voorstelling An die Musik. Foto: Bob van Dantzig. Collectie: Theater Instituut Nederland.
Ik heb hem ook een keer emotioneel en met tranen op de wangen gezien. Dat was toen Pip Simmons en Children of the Night (de naam die we de Pip Simmons Theatre Group tijdelijk hadden gegeven, toen die gedurende een seizoen onderdak had gevonden in Rotterdam) op het festival in Nancy in 1975 de befaamde voorstelling An die Musik speelden. An die Musik was een voorstelling die iedereen gezien wilde hebben en zoals gebruikelijk was op dat festival had zich al ruim voordat de deuren geopend werden een enorme mensenmassa verzameld voor het theater, een grote tent. Toen het publiek eindelijk werd toegelaten en als een horde buffels naar voren stormde om een plaats vooraan te bemachtigen probeerde Ritsaert ze tot kalmte te manen. Het scheelde niet veel of hij werd onder de voet gelopen. Toen knapte hij, en dat was niet omdat hij bang was voor eigen lijf en leden, maar omdat het onderwerp van de voorstelling, concentratiekampgevangenen die voor hun sadistische beulen moesten musiceren en toneelspelen, in schrijnende tegenstelling stond tot de wilde meute die zich van de beste plaats wilde verzekeren.

Terugkijkend was het eigenlijk vanzelfsprekend dat Ritsaert zich zou ontwikkelen tot beeldend kunstenaar, meer dan tot theatermaker. Zijn eigen projecten die hij in Mickery toonde, waren naar mijn mening eerder groots opgezette installaties, met tekst en met acteurs, dan theatervoorstellingen. Dat bevestigde wat ik al eerder had ontdekt, namelijk dat hij vooral een visueel denker was. Het litteraire, het dramatische aspect kwam op de tweede plaats. Maar vóór alles kwam voor hem de mentaliteit die uit een voorstelling sprak. Daarom programmeerde hij een theatergroep ook nooit voor slechts een keer. Hij wilde zien, laten zien, hoe een groep zich ontwikkelde, hoe de makers voor hun denkbeelden steeds nieuwe vormen bedachten. Uiteindelijk ging het hem om het tonen van een visie op de wereld: dat gold voor wat hij deed in Mickery, daarna in DasArts en ten slotte in zijn eigen beeldend werk. Zijn eigen ontwikkeling, van cameraman bij Thijs Chanowski, van galeriehouder (Mickery was niet alleen een theater!) tot zijn beeldende installaties, is een voorbeeld van consistentie.

Ruud Engelander, april 2011

 
Ritsaert ten Cate, 1985. Foto: Tony Thijs. Collectie Theater Instituut Nederland.
Ritsaert ten Cate, 1985. Foto: Tony Thijs. Collectie Theater Instituut Nederland.
 
Alleen in Ritsaert ten Cate
1960
1970
1980
1990
2000
2010
2020
2030
2040
2050