5|09|1842 - 28|04|1925
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Louis Bouwmeester

Volkstoneel

Als kind stond Louis Bouwmeester al op de planken, al was hij toen nog niet altijd even succesvol. Zijn vader, de toneelspeler Louis Frederik Johannes Rosenveldt, gaf hem les waarna hij het vak verder in de praktijk leerde. Rosenveldt had zijn eigen, reizende gezelschap. Ook Louis' moeder, Louisa Francina Maria Bouwmeester, speelde bij dit gezelschap.

Salon de Variétés op aquarel van J.M.A. Rieke uit 1891. Het min of meer officiële begin van Bouwmeesters toneelcarrière viel in het seizoen 1861/1862, toen hij door P. Boas en N. Judels geëngageerd werd in hun Salon des Variétés aan de Amstelstraat te Amsterdam. Zijn eerste rol van betekenis aldaar was 'Fridolin' in De gang naar de ijzersmelterij (naar Schillers ballade door Franz von Holbein) dat op 19 december 1861 in première ging.

Vaak hielden Boas en Judels hun stukken maar één week op het repertoire. In die ene week werd overdag het nieuwe stuk ingestudeerd, en 's avonds het andere stuk gespeeld.

Collectie Theater Instituut Nederland. Bouwmeesters echte doorbraak kwam een jaar na Fridolin met een dubbelrol die hij op het laatste moment van een collega had overgenomen: 'Phidias-Raphaël' in Marmeren beelden, ijskoude harten (Les filles de marbre) van Th. Barrière en L. Thiboust op 22 december 1862. Na deze rol speelde hij alleen nog maar hoofdrollen in de toen bijzonder populaire melodrama's zoals De gebochelde (P. Féval), Margot de bloemenverkoopster (F. Dugué en A. Anicet-Bourgeois), Het gebed der schipbreukelingen (Ph. F. P. Dumanoir) en De twee weezen (A. d'Ennery en E. Cormon). In het seizoen speelde het gezelschap van Boas en Judels ook op kermissen.

In het voorjaar van 1866 werden de meeste kermissen verboden omdat een choleraepidemie zich over het land verspreidde. Voor veel toneelgezelschappen, die voor de zomer al een toer langs de kermissen gepland hadden, was dit een catastrofe. Veel moesten er worden ontbonden, zo ook het gezelschap van Boas en Judels. Bouwmeester vormde samen met enkele andere werkloze acteurs en actrices een eigen troep. Ook Louis Rosenveldt, Bouwmeesters vader, sloot zich bij het gezelschap aan. Na de zomer vestigden zij zich in toneelzaal Diligentia in de Kalverstraat (op de plek waar later de Corso-bioscoop kwam). De directie heette nu 'Louis Bouwmeester & Co.', en behalve zijn vader had Bouwmeester nog meer familieleden geëngageerd: zijn vrouw Christine la Rondelle en haar moeder Louise la Rondelle, zijn broer Frits en twee zusters Louise en Theodora, zijn halfbroer Willem, zijn tante Gezina en haar dochter. Daniël la Rondelle, de broer van zijn vrouw, leidde het vaste orkestje en schreef de muziek voor de vaudeville liedjes die gezongen werden. De komieken Eduard Bamberg en Samuel Kapper waren de enige artiesten van naam bij het gezelschap die geen familie waren.

Place de Pay-Bas in Rotterdam, in 1869-70 de schouwburg van de Bouwmeesters. Na de dood van Louis vader in 1867 bleven de 'kinderen' nog bijna zes jaar bij elkaar. Rotterdam was ondanks alle omzwervingen hun vaderstad, en als een echte clan woonden ze daar, in de artiestenbuurt in de zijstraatjes rond de Hoogstraat bij elkaar. In Rotterdam speelden ze stukken als het melodramatische De Bedelaarster en zwaar-romantische stukken als De Armen van Parijs, De Voddenraapster van Parijs, De Bohemers van Parijs, De Goudzoeker en Pillen van de duivel.

Op een feestterrein tussen de Kruiskade en plaats waar nu het Weena is werd een verplaatsbare houten schouwburg gemaakt. Exploitant J. Doon had dat terrein de naam 'Place de Pays-Bas' gegeven, maar de Rotterdammers vonden dat te deftig en noemden het gewoon 'De tuin van Doon'. In het seizoen van 1869-1870 speelden de Bouwmeesters in deze schouwburg hun vaudeville-achtige stukken en melodrama's.

Na dit uitstapje met het eigen gezelschap, keerde Bouwmeester rond 1873 als associé weer terug bij Boas en Judels. Hij kon het grootste gedeelte van zijn Rotterdamse gezelschap meebrengen. In 1879 werd hij geëngageerd door de Vereeniging 'Het Nederlandsch Tooneel'. Hiermee kwam een einde aan de eerste periode uit zijn professionele toneelleven, die van het volkstoneel.

bronnen: Biografisch Woordenboek van Nederland en De Bouwmeesters. Kroniek van een theaterfamilie van Simon Koster (Assen 1973).
 
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
 
Alleen in Louis Bouwmeester
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950