5|09|1842 - 28|04|1925
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Louis Bouwmeester

Reizend directeur en acteur

Tegen het einde van het speelseizoen 1901/1902 hadden problemen van persoonlijke en financiële aard tussen Louis Bouwmeester en de raad van beheer van de Koninklijke Nederlandsche Tooneel Vereeniging zich zo opgestapeld, dat Bouwmeester besloot het gezelschap te verlaten en zich aan te sluiten bij het nieuw opgerichte gezelschap het Amsterdamsch Lyrisch Tooneel. Het was het begin van de derde en laatste periode in Bouwmeesters lange carrière, die van reizend directeur-acteur. Het openingsstuk van het gezelschap was Faust, zowel door publiek als kritiek matig ontvangen. Het Lyrisch Tooneel was met veel enthousiasme en idealisme opgezet, maar het gebrek aan realistische kennis van de praktijk zorgde ervoor dat het gezelschap een jaar later al weer werd opgeheven.


Louis Bouwmeester als koning Oedipus waarmee het Haarlemsch Tooneel op 1 september 1903 van start ging. Collectie Theater Instituut Nederland.
In 1903 werd Bouwmeester vervolgens directeur van een eigen gezelschap. Het Haarlemsch Tooneel was speciaal voor hem opgericht door drie van zijn (welgestelde) bewonderaars: Jonkheer en schrijver/journalist A.W.G. van Riemsdijk, schrijver/fabrikant Justus van Maurik en schilder Theophile de Bock. Behalve directeur was Bouwmeester ook één van de steracteurs van het gezelschap. Ook zijn broer Frits en Julia Cuypers maakten deel uit Het Haarlemsch Tooneel. Het gezelschap had een wekelijks spelplan met één voorstelling in Haarlem, twee in Amsterdam en vier in de provincie. Op 1 september 1903 werd geopend met het stuk Oedipus. Hoogtepunt van het eerst seizoen was echter Schakels van Herman Heijermans, dat op 24 december 1903 in première ging.

Op 3 maart 1904 moest de Haarlemse Schouwburg, de thuishaven van het gezelschap, wegens mogelijk brandgevaar gesloten worden. De troep week uit naar een veel kleiner theater in Haarlem waar behalve minder publiek, ook de decors en rekwisieten niet goed pasten. Het deed de kwaliteit van de voorstellingen geen goed. Aan het einde van het seizoen 1904/1905 verlieten Frits Bouwmeester, Julia Cuypers en regisseur Alexander Saalborn het gezelschap. Voor Louis Bouwmeester leek de tijd rijp voor een nieuwe uitdaging: Nederlands-Indië.


Collectie Theater Instituut Nederland.
Samen met het Haarlemsch Tooneel maakte hij in 1905/1906 zijn eerste tournee door de Oost. Het gezelschap bestond uit zo'n vijftien leden, onder wie zoons Louis Jr. en Rafael Bouwmeester en Marie Braakensiek, met wie Bouwmeester in 1909 dochter Wiesje kreeg. Niet iedereen was enthousiast over het idee van de Indië toernee, vanuit Java schreef een journalist in de zomer van 1905 in De Telegraaf:

'Hollands grootste toneelkunstenaar, na eerst met een derderangstroep in Holland zichzelf achteruit getakeld te hebben, moest nu, uit armoe, naar Indië komen om boven water te blijven.' Bouwmeester reageerde met een ingezonden stuk op 23 augustus 1905 in diezelfde krant en verklaarde met voldoening terug te kijken op het laatste seizoen met het Haarlemsch Tooneel,

'Al heeft het niet in alle opzichten voldaan aan de eisen der kritiek. (...) Neen, niet de nood drijft mij voort; veeleer zouden de kleinzieligheden en tegenwerkingen waaronder ik wel eens heb moeten lijden, dit hebben kunnen doen. Dankzij de steun die mij wordt verleend, die mij in staat stelt mijn lang-gekoesterde wens te bevredigen, nl. te trachten mijn kunst hoog te houden in ons heerlijk Insulinde, vertrek ik vol goede moed.'


Het Haarlemsch Tooneel tijdens de eerste Indische toernee (1905/1906). Zittend op de voorgrond Marie Braakensiek. Staande in het midden Louis Jr. en Rafaël Bouwmeester. Louis Bouwmeester zelf zittend in het midden. Collectie Theater Instituut Nederland.

Het waren geen plezierreizen, de bootreis duurde lang en was niet al te comfortabel, er werd keihard gewerkt en vaak onder moeilijke omstandigheden. Soms was er succes, soms ook niet. Het publiek bestond alleen uit Europeanen, natuurlijk voornamelijk Hollanders. Hoewel de acteurs vaak luid werden toegejuicht, klonk er ook kritiek, niet in de laatste plaats op Bouwmeester zelf. De functie van directeur/regisseur lag Bouwmeester niet. Een kritiek in de Sumatra Post uit die tijd:

'Hij die, malgré lui, in administratieve rompslomp is gehaald, voelt zich in geen andere hoedanigheid op zijn plaats dan die van de acteur die zich om niets anders te bekommeren heeft dan om zijn eigen rol. Regie .... , maar daar staat nu toch zijn hoofd niet meer naar!'

Maar Bouwmeester de acteur werd op de meeste plaatsen groots verwelkomd. De ervaringen waren dusdanig dat het Haarlemsch Tooneel, met Louis Bouwmeester, in 1906/1907 en 1909/1910 nogmaals een toernee door Indië maakte.


Bouwmeester in De Greep.
Het tussenliggende seizoen 1907/1908 werkte Bouwmeester als gast mee in het ensemble van de gebroeders Van Lier in het Grand Théâtre in de Amstelstraat te Amsterdam. In 1909 trad hij met eenakters als De Greep op in bioscopen en vermaakte hij badgasten in Zandvoort en Scheveningen met diezelfde eenakters. Na terugkomst uit Indië vormde hij weer zijn eigen kleine reizende troepjes en van 1912 tot 1914 was hij geëngageerd bij de Tooneelvereeniging van Herman Heijermans. Tussen 1909 en 1924 maakte hij ook een tiental films.

In 1914 keerde hij - op velerlei aandringen - terug naar de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Tooneel op het Leidseplein. Daar trof hij Eduard Verkade, die totaal andere inzichten bleek te hebben als de oude meester. Verkades symbolisme en abstrahering gingen moeilijk samen met Bouwmeesters romantisch realisme. In 1919 kwam het tot een openlijke breuk tussen Verkade en Het Nederlandsch Tooneel en Bouwmeester. Maar toen de acteurs van het gezelschap in 1920 om betere arbeidsvoorwaarden staakten, deed Bouwmeester nog mee. Hij speelde nog één jaar bij Herman Heijermans, maar van 1921 tot 1924 trok hij weer met een klein eigen troepje door Nederland, van dorp naar dorp, van stad naar stad. Tussendoor kende hij nog wel enkele grote triomfen in het buitenland, waar hij met gastoptredens zijn Shylock vertolkte. Maar in Holland was het armoe troef. Op 26 december 1924 trad hij voor de allerlaatste keer op, met Vriend Fritz en De Greep in een zaal in Arnhem. Toen stortte hij in, en een paar maanden later overleed hij op 82-jarige leeftijd op 28 april 1925.

bron: : Biografisch Woordenboek van Nederland en De Bouwmeesters. Kroniek van een theaterfamilie van Simon Koster (Assen 1973),
 
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
 
Alleen in Louis Bouwmeester
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950