5|09|1842 - 28|04|1925
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Louis Bouwmeester

Het Nederlandsch Tooneel

Louis Bouwmeester als Shylock in De Koopman van Venetië, de rol die hem legendarisch maakte en die hij voor het eerst bij Het Nederlandsch Tooneel vertolkte in 1880. Collectie Theater Instituut Nederland. In 1876 werd de Vereniging Het Nederlandsch Tooneel door drie welgestelde heren opgericht: bankier, literator en toneelschrijver H.J. Schimmel, bankier Abraham Wertheim en G. van Tienhoven, de latere minister en burgemeester van Amsterdam. Hun doel was om met dit gezelschap hun ideeën over verheffing en ontwikkeling van het toneel in de praktijk te brengen. Er kwam bijvoorbeeld geen toneeldirecteur, maar een Raad van Beheer van gegoede burgers, die een zekere continuïteit moest veilig stellen. Door toneelminnende burgers bij elkaar te brengen, zou de bekwaamheid van de acteurs verhoogd worden, zouden schrijvers worden aangemoedigd nieuwe drama's te schrijven en zou de toneelkritiek gestimuleerd kunnen worden. Tevens wilden de drie oprichters het toneel op de kleine burgerman en de massa heroveren. Hun devies was 'beschaving'.

Om deze doelen te verwezenlijken had H.J. Schimmel in eerste instantie een paar jaar eerder, samen met Jan Nicolaas van Hall, 'Het Nederlandsch Tooneelverbond' opgericht. Eén van de meest concrete resultaten was de oprichting van de Toneelschool in 1874 in Amsterdam, behalve door het Verbond ook gefinancierd door koning Willem III. De koning bevond zich ook regelmatig onder de bezoekers van voorstellingen van Het Nederlansch Tooneel in Den Haag en in 1881 verleende hij het gezelschap het predikaat 'Koninklijk'.

De Koninklijke Haagsche Schouwburg was de thuisbasis van de Koninklijke Vereniging 'Het Nederlandsch Tooneel', maar het gezelschap speelde ook in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Daar zorgde de Vereniging ervoor dat een Nederlandse variant ontstond naar het grote voorbeeld van nationaal toneel van de Comédie Française.

Louis Bouwmeester had in 1879 de overstap gemaakt van volksacteur naar het voorname gezelschap van de Koninklijke Vereniging 'Het Nederlandsch Tooneel'. Deze overstap had opzien gebaard, maar Bouwmeester pastte, met zijn volksacteur-achtergrond perfect binnen de doelstellingen van de oprichters van Het Nederlandsch Tooneel. Hij liet zien dat een zich schor schreeuwende volksacteur zich wel degelijk kon ontwikkelen tot een invoelend en verfijnd toneelspeler.


Louis Bouwmeesters Shylock, gefotografeerd door zijn zoon Rafaël Bouwmeester. Collectie Theater Instituut Nederland.
Bouwmeester maakte zijn debuut bij het gezelschap als de knecht Jasper in de Franse eenakter Niemand sterft van blijdschap (La joie fait peur) van Delphine de Girardin, waarin één van de hoofdrollen werd vertolkt door de grote Maria Kleine-Gartman. Al snel zou Bouwmeester echter zelf de hoofdrollen spelen. In september 1880 speelde hij voor het eerst zijn Shylock in De Koopman van Venetië van William Shakespeare. Uiteindelijk zou hij over een periode van 43 jaar deze rol zo'n 2000 keer over het voetlicht brengen. Maar ook met zijn rollen in stukken van bijvoorbeeld Sophocles, Molière, Vondel, Langendijk en Hauptmann heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd tot de bloei van het toenmalige Nederlandse toneelleven. Zijn carrière bij Het Nederlandsch Toneel zou 23 jaar beslaan. Het Nederlandsch Tooneel zelf zou tot in het derde decennium van de twintigste eeuw blijven bestaan.

bronnen: 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur van Jan Bank en Maarten van Buuren (Den Haag 2000) en Biografisch Woordenboek van Nederland.
 
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
 
Alleen in Louis Bouwmeester
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950