5|09|1842 - 28|04|1925
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Louis Bouwmeester

De Directeur was Arm

Brief aan recensent J.B. Schuil, hoogstwaarschijnlijk naar aanleiding van een slechte kritiek op het stuk Lodewijk XI dat Bouwmeester met een eigen troepje opvoerde.

Louis Bouwmeester in Lodewijk XI.


Januari 1912
Tournée - LOUIS BOUWMEESTER,
Amsterdam
Brief- en Telegram-adres :
Sarphatipark 11

Vertrouwelijk

Weledelgeb heer J.B. Schuil, Haarlem


Hoog geachte heer,

In beleefd antwoord op uw kritiek van januari jl.

Ik ben een der slechtste regisseurs, ik voldoe in mijn spel aan de hoogste smaak en, bezit geen artistieken smaak. Hoe ik zonder het laatste, ik bedoel het voorlaatste kan voldoen in mijn spel aan het tweede begrijp ik niet.

Misschien helder ik het raadsel op, door een geschiedenis: die ik maar al te goed ken.

Er was eens een, laat ik zeggen, goed acteur met gezond verstand, en veel gevoel voor al wat schoon is, natuurlijk was hij een aangewezen regisseur, want onder ons luisteren wij altijd naar de wensen van een kunstbroeder die wij boven ons gevoelen. Hij bekwam de plaats van artistiek leider maar helaas, hij werd lijder, want zijn Directeur was arm. Hij zag al de fouten, de costumes waren oud, en niet altijd uit den tijd waarin het stuk speelde. Wat kon hij doen, zijn Directeur moest zich behelpen met een costumier die het voor een prikje deed, de Directeur was arm.

Niemand steunde hem, een stuk behoorlijk aan kleeden zoo als het behoorde, ’t ontbrak hem niet aan kennis, hij wist zeer goed dat in Lod XI geen moderne meubelen pasten. Het deed hem pijn genoeg dit het publiek te moeten voorzetten, maar, zijn Directeur was arm.

Hoe gaarne had hij figuranten aangenomen die hun vak kenden, die er behoorlijk op ’t tooneel uitzagen, hoe gaarne had hij ze meegenomen wanneer hij in de Provincie moest spelen, hoe zeer leed zijn spel onder de armzalige omgeving, want hij was genoodzaakt mee te spelen : wat hielpen hem zijn klachten tegen de Directeur. De Directeur was arm en zonder geldelijke steun.

Daar verscheen plotseling een redder, een Kunstvriend “met veel geld” haalde enige vrienden over mede te steunen en toen gebeurde er een wonder. De stukken waren aangekleed in de juiste tijd. ’t Was een lust het te zien, de figuratie was eenig. Hij engageerde er tien, twaalf. Kon ze goed betalen en zij waren nu geen leelijke sta in den weg’s. Zij kenden hun taak en werden door den noch al goed zijnde acteur regisseur gedrild. Het decor? Hij sloeg zijn boeken op en geen kamer was uit den stijl, geen meubel verscheen op ’t tooneel of het was uit den tijd waarin het stuk speelde.

Onze regisseur die zoo als ik zeide, een noch al goed acteur was daarbij het volle vertrouwen van zijn meedespeelers bezat, repeteerde met zijn menschen 14 dagen voor een stuk. Zijn directeur stond hem alles toe, geen wonder, de man had geen nijpende zorgen, hij bracht geen slapeloze nachten door, steeds droomend en denkend, hoe moet ik maandag a s. mijn menschen betalen. Zijn geest was niet meer gedrukt en de vraag zoo dikwijls door hem in wanhoop gedaan. Waarom word [ik?] niet geholpen. Ik kan zooveel goeds doen zien en ben machteloos, behoorde tot het verleden. De regisseur die men verweten had geen kennis van zijn vak te hebben liep met opgeheven hoofd want zijn Directeur geld door steun.

U is niet boos Mijnheer Schuil dat ik dit schreef. Het vloog me uit de pen, maar ’t blijft onder ons, niet waar?

Geheel de uwe. Louis Bouwmeester.


Noot: De redder, de Kunstvriend "met veel geld" waarnaar Bouwmeester in zijn brief verwijst is waarschijnlijk Jonkheer A.W.G. van Riemsdijk, met wiens steun in 1903 het Haarlemsch Tooneel min of meer voor Louis Bouwmeester werd opgericht.

bron: Collectie Theater Instituut Nederland
 
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
 
Alleen in Louis Bouwmeester
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950