19 | 7 | 1934
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Willem Nijholt

Thuiskomen op de Toneelschool

Op aandringen van zijn vader begon Willem Nijholt in Nijmegen aan de HBS. Door tussenkomst van de oorlog had hij nog nooit echt op school gezeten, en de HBS viel hem zwaar. Hij haalde er slechte cijfers en ging uiteindelijk van school af. "Een wereldoorlog en drie jaar jappenkamp later kwam de lange zeereis op een boot vol doodzieke mensen naar een armoedig koud land dat weer opgebouwd moest worden; kwam de ellende van op school niet meer mee kunnen komen en je buitengesloten voelen; kwam de pubertijd met 't eeuwigdurend lijkende gevecht om al die in de knoop geraakte gevoelens weer te ontwarren (...)" (geciteerd uit: Musicals in Nederland)

Eerste klas HBS, Nijmegen, 1949. Willem Nijholt zit op de onderste rij, tweede van links. Foto: collectie Willem Nijholt
Na het voortijdig verlagen van de HBS besloot Nijholt op zijn zeventiende bij de marine te gaan. Hij tekende voor zes jaar, net als zijn vader destijds bij de landmacht, maar kwam er al snel achter dat ook dit geen goede keuze was. Na achttien maanden sloeg hij een officier zijn pet van het hoofd omdat deze hem verboden had die avond uit te gaan. Willem belandde in de tuchtgevangenis van Nieuwe Sluis. Na drie maanden werd het oordeel geveld: hij kreeg een S5 beoordeling, psychisch instabiel, en kon het leger verlaten. 

In zijn marinetijd werd hij voor het eerst verliefd op een meisje, maar hij ontdekte ook zijn homosexualiteit. Bij het vrijen met het meisje dacht hij voornamelijk aan een korporaal. Toen hij uit het leger kwam was hij achttien jaar. De komende vijf jaar modderde hij, naar eigen zeggen, maar wat aan. Hij zwierf wat rond en had allerlei baantjes, variërend van meubelmaker tot tapijtontwerper, maar hij vond ook werk in een garage en een porceleinfabriek. In de bioscoop vond hij afleiding, waande hij zich even in de wereld van de Amerikaanse showfilms "liet ik me weer oppeppen door Fred en Ginger, Betty Grable, Gene Kelly, Judy Garland, Frank Sinatra en Doris Day en ze konden het allemaal. Tappen!" (geciteerd uit: Musicals in Nederland)

Willem Nijholt in 1956, vlak voor de Toneelschool. Foto: collectie Willem NijholtUiteindelijk besloot hij zijn hart te volgen en te proberen zijn jeugddroom waar te maken: hij deed auditie voor de Amsterdamse Toneelschool. In eerste instantie werd hij niet aangenomen omdat hij met zijn 23 jaar te oud was; de maximum leeftijd was 21 jaar. Op de vraag van toenmalig directeur Willy Pos waarom hij pas zo laat auditie was komen doen voor de Toneelschool, vertelde Nijholt hem over de drie ingrijpende jaren die hij in het Jappenkamp had doorgebracht. Pos, zelf Joods en overlever van de oorlog, vond vervolgens dat hij Nijholt een kans moest geven.

"Die drie helse jaren hebben mijn leven bepaald. Nog kan ik slecht tegen uniformen; tegen schreeuwerige mensen. Ik was twaalf toen onze familie naar Nederland terugkeerde. Ik heb toen lang in een fantasiewereld geleefd, waarschijnlijk om alle ellende van het kamp te vergeten. Wellicht is dat ook de reden geweest dat ik, na een mislukte carrière op zee, op mijn 23ste op de Toneelschool van Amsterdam terechtkwam. Jarenlang had ik me niet kunnen uiten. Die toneelschool was een legale manier om expressie te tonen, om verschillende kanten van mezelf te laten zien." (geciteerd uit: Een straf van God). Willem Nijholt, 23 jaar. Foto: collectie Willem Nijholt

Op de Toneelschool had hij het gevoel na een lange zoektocht eindelijk thuis te zijn gekomen. "Ik had het idee dat ik meedeed met Ganzenborden. Ik zou nog wel eens in de put komen of in de gevangenis, maar ik zou tenslotte het einde halen." (geciteerd uit: website vriesdemark.schrijft.nl)

Willem was altijd dol geweest op Amerikaanse showfilms die hij eerst met zijn moeder, later alleen, veelvuldig in de bioscoop zag. Tapdansen had zijn hart gestolen. "(...) En dan ... eindelijk ook die drie heerlijke jaren op de toneelschool (ik wist 't wel), waar 'tapdansen' weliswaar een smerige vloek was, maar waar ik mijn plek had gevonden en waar ik leerde dat er méér was dan 'zang en dans' alleen. Na die schooltijd heb ik met de spreekwoordelijke speer in mijn hand als edelfigurant het hele land doorkruist (...)" (geciteerd uit: Musicals in Nederland)

Nijholt kreeg les van Ton Lutz en Ank van der Moer en heeft vooral goede herinneringen aan Guus Hermus, die hem een "pittig acteurtje" noemde. Het vertrouwen van zijn docenten gaf hem ook voldoende zelfvertrouwen om door te zetten. Het zou de enige school zijn waar hij, in 1960, een diploma van zou krijgen. Hoewel het gevoel van 'thuiskomen' overheerste, viel Nijholt met zijn elegante voorkomen en flamboyante manier van kleden toch altijd enigszins uit de toon. Zijn klasgenoten waren onder andere Jacques Commandeur, Henk van Efferen, Jules Hamel, Guido de Moor en Nel Kars.  

Gedurende zijn tijd aan de Toneelschool in Amsterdam werd hij ook lid van het COC. Daar ontmoette hij Gerard van het Reve. Hij was zeer onder de indruk van de, toen nog niet zo succesvolle schrijver, en wilde zich als 'een reïncarnatie van Florence Nightingale' over hem ontfermen. Reve wees echter elke toenadering af. Nijholt: ''Ik was waanzinnig verliefd op hem, in de jaren zestig. Hij was zó mooi, en in die jaren was hij het type jongen waar ik op viel, met zo'n AJC-kuif. En een briljante schrijver natuurlijk. In die tijd, toen ik hem zag bij het COC, was hij altijd dronken, eenzaam en ongelukkig. Eerst moest hij niets van mij weten, hij vond mij veel te nichterig, denk ik. Maar door dat toneelstuk dat hij geschreven heeft, waar ik een rol in speelde (Commissaris Fennedy, red.), vlamde het ineens op.'' (geciteerd uit: website vriesdemark.schrijft.nl)

Willem Nijholt (zittende, achter de plant) na een optreden van de Toneelschool op het Boekenbal in Amsterdam. Foto: collectie Willem Nijholt
Toen Willem Nijholt in 1960 van de toneelschool kwam, had hij nog geen plek bij een gezelschap aangeboden gekregen. "Ik had niet eens een engagement toen ik van die school kwam. Ik werd te elegant bevonden. Tot Ton Lutz me een rol aanbood, die kende me. Meer uit medelijden geloof ik." (geciteerd uit: Een straf van God).

Willem Nijholt, 1960, na zijn eindexamen Toneelschool. Foto: Godfried de Groot, collectie Willem NijholtOf het uit medelijden was, valt te betwijfelen, maar in elk geval bood Ton Lutz, één van zijn docenten aan de toneelschool, Willem Nijholt een plek aan bij het Rotterdams Toneel. Binnen het gezelschap hadden de acteurs Hans Croiset en Hans Boswinkel de Werkgroep Rotterdams Toneel opgericht met als doel de jongste acteurs en actrices een kans te geven met door henzelf gekozen repertoire op te treden. Het waren stukken waarvan niet te verwachten viel dat ze op het 'grote' toneel gespeeld zouden worden. Het eerste stuk van de werkgroep, tevens het officiële debuut van Willem Nijholt buiten de voorstellingen van de Toneelschool om, was De Gelijkbenigen van de Belg Piet Sterckx. Nijholt speelde samen met een aantal oud-klasgenoten van de Toneelschool. De voorstellingen werden opgevoerd in het nieuwe repetitielokaal van het Rotterdams Toneel in plaats van in de schouwburg.

Naast enkele rollen bij de werkgroep van het Rotterdams Toneel, speelde hij ook in reguliere voorstellingen van het gezelschap. In de voorstelling Irma La Douce maakte Nijholt in 1961 zijn musicaldebuut.

Bronnen: 'Hartstocht, eigenbelang en ijdelheid: waarom denk je dat ik op het toneel sta?' in: Kijken achter maskers van Peter J. Ferguson (Baarn 1992), Musicals in Nederland van Hilde Scholten (Warnsveld 2004), website vriesdemark.schrijft.nl en Een straf van God: de carrière van Willem Nijholt, doctoraalscriptie UvA van Jürgen Theuns (Amsterdam 2004)
 
Willem Nijholt
Willem Nijholt
 
Alleen in Willem Nijholt
1950
1960
1970
1980
1990
2000
2010
2020
2030
2040