17|06|1919 - 03|05|2009
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Ton Lutz

Toneeldebuut in oorlogstijd


Ton Lutz (rechts) op wacht, 1938. Fotograaf onbekend. Collectie Ton Lutz.
Toen de oorlogsmachine van het ‘bevriende staatshoofd’ Adolf Hitler op 10 mei 1940 ons land binnenviel, bevond Ton Lutz zich in Gorcum. Tijdens die verwarrende en ingrijpende meidagen raakte hij gewond – een granaatscherf maakte dat hij bijna zijn pink kwijtraakte. Die hing er los bij, maar een Chinese dokter wist de schade keurig te herstellen, al kon hij zijn pink nooit meer helemaal recht krijgen. Na de capitulatie van Nederland moest dienstplichtig soldaat Lutz zich – zoals zovele anderen – melden om als krijgsgevangene naar Duitsland te worden afgevoerd. Hij meldde zich niet en tot zijn grote verbazing en geluk werd hij niet opgehaald.

Hij ging terug naar Delft, waar hij voor korte tijd zijn betrekking als leerling-journalist bij de Nieuwe Delftsche Courant weer opnam. Maar de greep van de bezetter op het dagelijks leven werd steeds dwingender. De Duitsers waren zich zeer bewust van het feit dat de media een belangrijke rol speelden in de opinievorming van de burgers in de bezette gebieden en dus werd ook in Nederland een begin gemaakt met het nazificeren daarvan. Dat leidde, volgens het model van propagandaminister Joseph Goebbels, tot de oprichting van het Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten (DVK). Dat departement stond onder leiding van de NSB’er prof.dr. Tobie Goedewaagen. Als secretaris-generaal van het DVK werd hij belast met de oprichting van de Nederlandsche Kultuurkamer (NKK – verder: Kultuurkamer), waarvan hij de leiding op zich nam. Binnen die Kultuurkamer zouden verschillende gilden worden opgericht, waardoor men alle gebieden van de kunsten en de media onder controle kon houden. Uiteraard werd ook van de Nieuwe Delftsche Courant verwacht dat zij zich bij het Gilde voor het Perswezen zou aansluiten en keurig in de pas van de bezetter zou lopen. Maar, in de woorden van Lutz, ‘toen weigerde dat kleine katholieke krantje mee te werken en hief zichzelf op’.

Lutz kon niet anders dan die beslissing toejuichen, hoewel het betekende dat hij zijn baantje kwijtraakte en zonder inkomen kwam te zitten. Om aan geld te komen, pakte Lutz alles aan wat er op zijn pad kwam. Dankzij een vriend kon hij voor vijftien gulden per maand radio’s sjouwen bij Siemens en Halske; maar de vriend moest onderduiken en Lutz raakte opnieuw zijn bron van inkomsten kwijt.

Via een andere vriend wist hij aan het werk te komen in zijn eigen stiel en kreeg hij een betrekking bij de Persdienst van de Nederlandse Unie. Die organisatie probeerde in gesprek te blijven met de bezetter, waardoor men hoopte nog enige invloed te houden op de beperkende maatregelen die Nederland werden opgelegd en de Nederlandse cultuur te behouden. Lutz werkte hier aan brochures, maar aan die periode kwam een einde toen een knokploeg van de NSB het kantoor eventjes in elkaar kwam slaan. Lutz hield aan die knokpartij een gat in zijn hoofd over en liep een tijdlang met een groot verband om zijn hoofd – ‘als een feestmutsje op Koninginnedag...’.

En oorlog of niet: het werd tijd dat de jonge Lutz eindelijk de richting insloeg waar zijn hart werkelijk naar uitging. Hij had de ambitie om toneelcriticus te worden beslist nog niet laten varen en in de zomer van 1941 besloot hij dat het tijd werd om werkelijk stappen in die richting te ondernemen. Hij vond dat het een beginnend toneelcriticus van pas zou komen als hij de wereld van het toneel van binnenuit leerde kennen, zodat hij echt wist waar hij over schreef. En wat was een betere manier om dat te bereiken dan door zich bij een toneelgezelschap aan te sluiten, zodat hij wellicht repetities kon bijwonen en misschien zelfs kon figureren of een kleine rol spelen – het gezin Lutz was immers lang niet bemiddeld genoeg om de oudste zoon naar een toneelschool te sturen.


De Koninklijke Schouwburg in Den Haag.
Lutz meldde zich ten burele van N.V. Het Residentie Tooneel, op dat moment hét stadsgezelschap van Den Haag en de plek waar illustere actrices en acteurs als Fie Carelsen, Mimi Boesnach, Caro van Eyk, Philippe la Chapelle en Paul Steenbergen speelden. Het gesprek dat hij in De Koninklijke Schouwburg met artistiek leider Dirk Verbeek voerde, liep uit op een beledigende teleurstelling. Toen Lutz zijn verlangen aan de directeur duidelijk maakte werd hij onverwijld afgewimpeld met de woorden: ‘Jongeman, er zijn al zoveel non-valeurs aan het toneel!’

Maar Lutz was vastbesloten en hij liet zich niet ontmoedigen – er waren in de residentie immers meer gezelschappen dan alleen Het Residentie Tooneel! Hij nam de Haagse tram naar de Adelheidstraat, waar het bureau was van de Vereenigde Haagsche Spelers. Dit kleine gezelschap speelde voornamelijk voor kunstkringen – en dan met name in het zuiden van het land – tegen een vaste uitkoopsom voorstellingen van volksstukken. Sinds 1932 werd er de scepter gezwaaid door Pierre Balledux, die gevestigde acteurs als Frits Bouwmeester en diens vrouw Dogi Rugani aan zijn troep wist te binden, maar ook jonge talenten als Guus Verstraete sr. en Jaap Hoogstra engageerde. Balledux was dan ook wel bereid om de gedreven sollicitant de kans te bieden waar hij zo ijverig naar zocht: hij kon meteen aan de slag.


Affiche van de filmversie van Notre-Dame de la Mouise uit 1940.
Ton Lutz maakte zijn professionele toneeldebuut in De Notre Dame van de sloppen van Grégoire Leclos. Hij speelde daarin de kleine rol van de pooier Grote Fernand. In De Notre Dame van de sloppen vestigt een jonge pastoor, gespeeld door Guus Verstraete, zich in een Parijse krottenwijk om de noden van de arme en uitgestoten bevolking te verlichten. Zijn inspanningen worden niet door iedereen op prijs gesteld, waarbij de meeste tegenwerking komt van de jonge communist Bibi en diens kameraden. Maar de pastoor volhardt in zijn plannen en gaat enthousiast door met het opbouwen van zijn ‘kathedraal’, die in de buurt spottend bekend staat als ‘Onze Lieve Vrouw van de sloppen’. Wanneer Bibi verliefd wordt op een meisje dat zich aan dit treurige milieu weet te ontworstelen, vindt er een kentering in het stuk plaats. Hij realiseert zich dat zijn liefde onmogelijk is. Wanneer hij dat uitspreekt bij de muur van de kerk komt de vergevensgezinde pastoor naar buiten. Liefdevol voert hij Bibi zijn kerk binnen en, terwijl buiten het ruige leven van de zelfkant voortgezet wordt, voelt de jonge maatschappijhervormer zich voor de eerste keer van zijn leven veilig en getroost. En zo weet de pastoor zich langzaam maar zeker een vaste plaats te veroveren in de sloppenwijk en de harten van de bewoners.

Lutz speelde – à raison van vijftien gulden per avond – ongeveer twintig keer de rol van Grote Fernand en deed dat met veel plezier. Niet in de laatste plaats omdat hij een kleedkamer deelde met acteur Jaap Hoogstra, met wie hij tot diens dood in juni 1998 bevriend zou blijven. Toen eind 1941 ook bij hen het aanmeldingsformulier voor de Kultuurkamer op de mat viel, leidde hun gezonde aversie tegen het nieuwe regime tot een milde uiting van burgerlijke ongehoorzaamheid: ‘Jaap Hoogstra en ik zijn samen naar dat gebouw gegaan: daar hebben we onze namen op de papieren onleesbaar gemaakt en ze verscheurd in de brievenbus gestopt.’

Bron: tekst grotendeels overgenomen uit het boek Ton Lutz. De toneelvader des vaderlands van Xandra Knebel (Theater Instituut Nederland 2007).
 
Ton Lutz, januari 2002. Foto Joost van den Broek.
Ton Lutz, januari 2002. Foto Joost van den Broek.
 
Alleen in Ton Lutz
1930
1940
1950
1960
1970
1980
1990
2000
2010
2020