17|06|1919 - 03|05|2009
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Ton Lutz

Professioneel aan het toneel


In Griekenland op zoek naar wortels van het theater. Collectie Ton Lutz
Na de bevrijding speelde het Residentie Tooneel in de zomer van 1945 in de Stadsdoelen te Delft een reprise van Toontje heeft een paard getekend. Richard Flink maakte onderdeel uit van de ijzersterke cast, die verder onder andere bestond uit geliefde spelers als Fie Carelsen, Paul Steenbergen en Mimi Boesnach. Flink was niet alleen een befaamd acteur maar ook een bekend regisseur en hij gaf les aan de Amsterdamse Toneelschool – onder andere aan de klas van Ton Lutz. Met die laatste had hij blijkbaar plannen, want op een rustig moment verliet Flink de Stadsdoelen om hem een bezoek te brengen. Lutz was niet thuis, maar kreeg bij terugkomst via zijn moeder het verzoek om naar de Stadsdoelen te komen. Uiteraard kwam hij daaraan graag tegemoet en Flink hield hem voor dat hij met zijn 25 jaar eigenlijk te oud was om terug te gaan naar de Toneelschool. Er moesten nu maar eens spijkers met koppen geslagen worden en zijn oude leraar had bedacht hoe dat in zijn werk moest gaan.

Lutz herinnert zich: ‘Hij zei: “Je komt morgen naar De Koninklijke Schouwburg en dan draag je dat gedicht van Marsman voor dat je [op school] gedaan hebt. Ik zal zorgen dat Johan de Meester in de zaal zit met Paul Steenbergen. Ik heb over je opgeschept... Maak je maar niet zenuwachtig.” ’

Zo kon het gebeuren dat Ton Lutz de volgende middag verscheen op het toneel van De Koninklijke Schouwburg, waar inderdaad Johan de Meester, Paul Steenbergen met nog wat andere mensen in de zaal zaten. Hij begon zijn voordracht:
Breero is moe:
hij heeft den heelen dag door Amsterdam geloopen,
geslenterd en gedagdiefd, rondgeloopen
langs de kaden met het wijde glinsterende water
en de snelle booten
die erover glijden met hun hooge zeilen
die als groote witte vlerken zijn
en als ijle zachte nooit vervulde droomen...

Na een poosje werd hij onderbroken en kwam men in de zaal hardop tot de conclusie dat hij maar ‘naar het kantoor’ moest gaan. Daar trof hij Dirk Verbeek, die hem contracteerde voor 125 gulden per maand. En zo kwam de ‘non-valeur’ uiteindelijk toch terecht in ‘de Koninklijke’ aan het Korte Voorhout.


Paul Steenbergen (op de troon) en Ton Lutz (daarachter) in Açoka – Het Residentie Tooneel, 1946. Foto E. van Wijk. Collectie Theater Instituut Nederland

Het Residentie Tooneel had de oorlog ‘overleefd’ en trok direct na de bevrijding het land in met reprises van geliefde voorstellingen. Zo kon het gebeuren dat Ton Lutz die zomer debuteerde in een voorstelling van Hamlet die oorspronkelijk in januari 1943 in première was gegaan. In de regie van Johan de Meester had Paul Steenbergen in de rol van de twijfelende Deense prins grote furore gemaakt – en ook nu speelde hij weer de titelrol. Op de grens van zijn 27e levensjaar begon Lutz zijn carrière in Den Haag in deze Hamlet, waarin hij twee rollen vertolkte: ‘Ik speelde één van de doodgravers [...] en iemand die al dood was: de geest van Hamlets vader. Dus ik begon eigenlijk na mijn honderdste, jong en wel!’ – intussen deelde hij wél het toneel met een aantal groten uit die tijd!

In het eerste complete seizoen na de oorlog werden er weer echte premières uitgebracht. Er kon immers weer worden gerepeteerd en de gezelschappen konden zonder censuur en weloverwogen hun repertoire samenstellen. Het Residentie Tooneel speelde het klaar om in dat seizoen 1945-1946 meteen met een sterk en nieuw programma te komen. Dat kwam niet in de laatste plaats omdat Johan de Meester, via een Amerikaanse neef en relaties in Londen, de hand wist te leggen op repertoire dat tijdens en net na de oorlog in die contreien werd geschreven en dus nieuw was voor Nederland. Zo speelde het gezelschap dat eerste naoorlogse seizoen De man die kwam dineeren van Kaufmann en Hart, en Met de hakken over de sloot van Thornton Wilder – Lutz speelde in beide stukken een kleine rol.

Kleine rollen spelen, dat zou Lutz gedurende zijn twee seizoenen in Den Haag veelvuldig doen: hij speelde in maar liefst vijftien producties. Daarna ging hij op zoek naar iets anders: hij voelde sterk de behoefte om met mensen te werken die hem vertrouwd waren. Toen Ferd Sterneberg hem vroeg om bij het Nederlands Volkstoneel te komen spelen aarzelde hij dan ook niet lang. Terugkijkend heeft hij die keuze vooral om een persoonlijke reden gemaakt:
‘Ik heb het eigenlijk voor Ferd gedaan, omdat ik die man ontzettend dankbaar was voor zijn houding in de oorlog. En altijd als ik kwam was hij aardig. Hij heeft me privé-lessen gegeven, zonder bijbedoelingen. Een hoogstaand mens!’

Ton Lutz (links) als kapitein Escartefigue in Havenkwartier – Nederlands Volkstoneel, 1947. Foto Particam Pictures/MAI. Collectie Theater Instituut Nederland

Toch is dat zeker niet Lutz’ enige reden geweest om zich aan het Nederlands Volkstoneel te verbinden. In een interview uit 1948 tekende de redacteur van Veritas uit zijn mond op dat de uitgangspunten van dit gezelschap strookten met zijn opvattingen inzake kunst en het volk: ‘De tijd van l’art pour l’art is voorbij en Lutz weet dat. Door de wisselwerking kunstenaar-publiek zal de geest van het volk geploegd worden en zo klaar gemaakt om het zaad te ontvangen dat leiden kan tot een rijke oogst.’  En geen betere plaats om de ‘geest van het volk’ ontvankelijk te maken dan bij het volkstoneel!


De nieuwe artistiek leider van het Rotterdams Toneel. Foto F.L. Lemaire. Collectie Theater Instituut Nederland
Na het Nederlands Volkstoneel volgden engagementen bij Toneelgroep Comedia (1948-1950) en de Nederlandse Comedie (1950-1955). Bij het Rotterdamsch Toneel (1955-1962) werd Ton Lutz voor de eerste maal artistiek leider. Daarna keerde hij terug naar de Nederlandse Comedie (1962-1965) en koos hij ervoor om tussen 1965 en 1968 te freelancen. Daarna verbond hij zich tot 1975 aan Zuidelijk Toneel Globe en speelde en regisseerde hij tussen 1976 en 1984 bij het Publiekstheater. In 1984 ging Ton Lutz officieel met pensioen. Hij zou geen toneelrollen meer spelen en geen regies meer doen, maar docent is hij, tot op de dag van vandaag, gebleven.

Buiten zijn overduidelijke verdiensten voor het Nederlands toneel is Ton Lutz van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de toneelspeelkunst. Dat heeft uiteraard als eerste te maken met het feit dat Ton Lutz een meester is in alle mogelijke betekenissen van het woord: meester in spel, meester in regie, meester in tekstbehandeling en meester in mise-en-scène. En zeker niet in de laatste plaats is hij natuurlijk ook toneelschoolmeester – niet alleen in de klas, maar ook in het repetitielokaal en op het toneel. En eigenlijk op alle plekken waar hij verschijnt. Ton Lutz praat graag en veel over zijn opvattingen over de rol van het theater in de maatschappij, de kunst van het acteren en het regisseren.

De stelligheid waarmee hij die consequente opvattingen is blijven hanteren en uitdragen is niet minder dan terecht geweest: door de decennia heen zijn zij recht overeind blijven staan en zo universeel gebleken dat ze toepasbaar zijn op alle mogelijke genres binnen het toneel. Ton Lutz bezit het belangrijkste dat de ideale docent kan hebben: een rotsvaste overtuiging en een heldere manier om die over te brengen. Zijn nimmer aflatende nieuwsgierigheid, liefde voor het leven en het vak en zijn enorme gedrevenheid en energie hebben hem gemaakt tot wat hij is: een onvermoeibaar pleitbezorger voor het betekenisvolle toneel en toneelspel.

Bron: tekst grotendeels overgenomen uit het boek Ton Lutz. De toneelvader des vaderlands van Xandra Knebel (Theater Instituut Nederland 2007).

 
Ton Lutz, januari 2002. Foto Joost van den Broek.
Ton Lutz, januari 2002. Foto Joost van den Broek.
 
Alleen in Ton Lutz
1930
1940
1950
1960
1970
1980
1990
2000
2010
2020