17|06|1919 - 03|05|2009
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Ton Lutz

De jonge reporter, of: Toon wordt Ton

Toon Lutz groeide op in de beschermende omgeving van de kerk en in een warme gezinssituatie. De buitenwereld en de internationale ontwikkelingen hebben in zijn vroege herinneringen weinig sporen nagelaten. Maar de crisis van de jaren dertig drukte zwaar op het dagelijks bestaan en nadat hij zijn mulo-opleiding had afgerond, brak voor Toon de tijd aan om een financiële bijdrage te leveren aan het levensonderhoud van het gezin Lutz. Hij ging op zoek naar een baantje.

Eigenlijk had Lutz vanaf zijn zeventiende aangegeven dat hij graag de journalistiek in wilde: ‘Ik kon wel aardig schrijven, maar mijn vader zei: “Je verdient het zout in de pap niet.” ’ En omdat er in de Delftse journalistiek nergens een baantje vrij bleek te zijn, zocht en vond Toon Lutz zijn eerste betrekking in een heel andere branche. Hij startte zijn werkzame leven als jongste bediende bij de N.V. De Delftsche Distilleerderij, ofwel: distilleerderij Vlek. Volgens een journalist van Het Binnenhof ‘telde hij daar de vaatjes en schreef gedichten’; waaraan hij met veel gevoel voor sfeertekening toevoegt dat Lutz ‘meer dan in een eerzaam kantoorbestaan gebruikelijk is, boven bij de knechts [stond] te zingen tot de oude heer Vlek ingreep. “Orelio kom hier,” schreeuwde de oude heer Vlek dan, want er was weer een geslaagd vers en een fout in de optelling ontdekt...’

Wat hem terugkijkend zelf het meeste is bijgebleven van de firma Vlek, is zijn eerste ‘jenever-ervaring’. Traditiegetrouw kregen de gistrijders – die met hun paarden en wagens voor de plaatselijke bakkers in Delft en de omliggende dorpen gist kwamen halen – na gedane zaken een oorlam aangeboden. Dat mosterdglaasje jenever werd ad fundum achterover geslagen en ook van de jongste bediende werd verwacht dat hij daaraan meedeed: ‘Ik dacht dat ik gek werd! Het was mijn eerste borrel. Toen ik thuiskwam zei mijn vader: “Jezus moeder, die jongen heeft een stuk in zijn reet!” Zal ik nooit vergeten...’


Na een korte periode als jongste bediende zag Lutz in 1937 de kans schoon om zijn journalistieke droom waar te maken. Hem kwam ter ore dat er een plaats vrijkwam als leerling-journalist en corrector bij de confessionele Nieuwe Delftsche Courant. De ambitieuze Lutz wist zijn oom, die daar als procuratiehouder werkte, zover te krijgen een afspraak voor hem te regelen. Na het felbegeerde gesprek met hoofdredacteur Verhulst was Lutz een baan rijker en een o’tje armer. Er werkte namelijk al een Toon in het bedrijf en dus deelde zijn nieuwe baas hem kort en zakelijk mee dat de Toon die nu voor hem stond dus verder ‘Ton’ zou heten. Die verandering is tot op de dag van vandaag gehandhaafd!

Ton Lutz’ werkzaamheden bij de Nieuwe Delftsche Courant varieerden van boodschappenlopen tot het verslaan van het stadsnieuws. Hij schreef graag en deed dat met de flair en het lef die bij zijn leeftijd pasten. Tot zijn grote vreugde werd zijn takenpakket op een goed moment uitgebreid en mocht hij ook toneelvoorstellingen recenseren, die werden opgevoerd in de Stadsdoelen, waar hij zelf als amateur had gespeeld. Hij zag er de groten uit zijn tijd – zoals Frits van Dijk en Louis Saalborn – furore maken. En daar ontstond het verlangen om carrière te maken als toneelcriticus.

Intussen groeide de dreiging van een nieuwe oorlog in Europa. De Nederlandse NSB werd steeds brutaler en was steeds duidelijker aanwezig. Vader Lutz was een fel tegenstander van die nationaal-socialistische beweging en prentte zijn kroost een zelfde aversie in. Een groot deel van de toenemende bezorgdheid over de bedreiging van de wereldvrede ging aan de jonge Ton Lutz voorbij, maar ook hij ontsnapte niet aan de gevolgen ervan. In de zomer van 1939 kwam er een abrupt einde aan zijn journalistieke loopbaan: hij kreeg een oproep om zijn militaire dienstplicht te vervullen bij de artillerie in Middelburg, Zeeland.


Ton Lutz (rechts) op wacht, 1938. Fotograaf onbekend. Collectie Ton Lutz

Lutz herinnert zich deze diensttijd vooral als saai en vervelend, maar ook toen vond hij nog een manier om zijn liefde voor het toneel uit te leven. Met een andere muzikale dienstplichtige richtte hij een orkest op waarmee ze in de kazerne optraden en voor het vertrek van een onderofficier organiseerde hij een afscheidsvoorstelling waarin hij alle onderofficieren en officieren imiteerde. Of die optredens de toets van een professionele kritiek zouden hebben doorstaan, blijft ongewis, maar door zijn meerderen werd in ieder geval gesignaleerd dat Lutz een zeer fantasievolle figuur was. Op zijn conduitestaat staat geschreven dat hij ‘wellicht ietwat onbetrouwbaar’ was, waaraan toch wel met enige waardering werd toegevoegd: ‘Een rasverzinner. Veel is niet waar, maar je zou hopen dat het wel zo was.’ Lutz: ‘Toen dacht ik: ze hebben goed gekeken!’

Bron: tekst grotendeels overgenomen uit het boek Ton Lutz. De toneelvader des vaderlands van Xandra Knebel (Theater Instituut Nederland 2007).
 
Ton Lutz, januari 2002. Foto Joost van den Broek.
Ton Lutz, januari 2002. Foto Joost van den Broek.
 
Alleen in Ton Lutz
1930
1940
1950
1960
1970
1980
1990
2000
2010
2020