5|09|1842 - 28|04|1925
Een leven lang theater Theaterencyclopedie Louis Bouwmeester

Eerbetoon


Louis Bouwmeester als Julius Caesar in Caesar en Cleopatra van Bernard Shaw.
Zowel tijdens zijn leven als na zijn dood heeft Louis Bouwmeester veel waardering voor zijn werk gehad: Genoeg volle zalen met een enthousiast publiek, tot in het buitenland aan toe, vaak bijzonder lovende recensies van de critici, en ook zijn vele collega's spraken vol lof over hem.

Ook op officiële wijze werd lof geuit: Bouwmeester was officier van de orde van Oranje-Nassau, was drager van  de medaille van kunsten en wetenschappen van de Huisorde van Oranje en de Franse regering had hem, na Officier d'Academie, benoemd tot ridder in het Legioen van Eer. Tijdens het huwelijk van koningin Wilhelmina en prins Hendrik in 1901 hield Louis Bouwmeester een voordracht. Ook in zijn geboortedorp Middelharnis werd hij geëerd.

Zijn jubilea werden grootschalig en met veel publieke belangstelling gevierd. Bij de jubileumvoorstelling in 1920 bij Het Nederlandsch Toneel om zijn 60-jarige toneelcarrière te vieren was de belangstelling zo groot, dat besloten werd een extra feestvoorstellingen in te lassen. De eerste op 11 november in Carré waar De Koopman van Venetië werd gespeeld, en een tweede op 12 november in de Stadsschouwburg waar Bouwmeester Vriend Fritz zou spelen. Bij deze gelegenheid bevorde koningin Wilhelmina Bouwmeester tot officier in de orde van Oranje-Nassau en prins Hendrik zond hem een telegram met hartelijke gelukswensen:


Foto B. Kamp. Collectie Theater Instituut Nederland.
'Met dezen gedenkwaardigen dag mijn oprechte gelukwenschen. Dat u nog vele jaren voor de tooneelkunst bewaard moogt blijven.'

Het publiek was uitgelaten. Toen Bouwmeester Carré verliet, leek volgens ooggetuigen een onweer los te barsten. Het waren echter de flitslampen van de camera's van de vele fotografen. Studenten zongen het Io Vivat en in de stoet liepen herauten in blauw-wit-rode uniformen mee, fakkeldragers en ruiters op stijgende paarden. Voor Carré hadden glazenwassers zich met fakkels opgesteld. De stoet voerde naar het American Hotel en langs de hele route stonden duizenden enthousiaste mensen.

De Telegraaf schreef:

'Het werd een zegetocht. Het was alsof een Romeinse veldheer bij fakkellicht zijn intocht in het oude Rome deed, onder schallende fanfares en omringd door trappelden krijgspaarden. Het was één onafgebroken gejuich dat meer dan een half uur duurde. (...) Een aardig moment deed zich voor op de Weteringschans, waar van het balcon van een hoog huis een regen van bloemen omlaagdaalde en neerviel in het rijtuig van Bouwmeester, die lachend, met een handgebaar dankte. Om één uur zwenkte de stoet onder daverend gejuich het Leidse Plein op. Voor het American Hotel werd stilgestaan en dreunend zetten de muziekkorpsen het Madelon in en flitste het bliksemlicht nogmaals met pijnlijke felheid op.'

Bouwmeester reageerde niet zo uitgelaten vrolijk als men van een jubilaris zou kunnen verwachten, maar was zijn publiek dankbaar:

't Zou dwaas zijn wanneer ik beweerd had, dat er vanavond niet iets zou gebeuren. Tien jaren geleden was dat al zoo. Maar er is veel gebeurd en veel geleden. Och, met een beetje goede wil overkomt men alles. Deze avond overtuigt me, ondanks de zwakke poging die gedaan is mij te vergeten, dat het Nederlandsche en het Amsterdamsche publiek bij nog niet vergeten is. Ik blijf u innig dankbaar.'

Zijn reactie is begrijpelijk. Hij was intussen bijna tachtig jaar en doorkruiste nog steeds het hele land om te kunnen spelen. Niet alleen omdat hij het spelen niet kon laten, maar zijn financiële situatie dwong hem daartoe. De acteurs in zijn troepje waren niet de beste spelers, maar hij kon zich geen betere spelers veroorloven. Hij heeft daarover gezegd:

'Nou kan ik wel gaan vragen..., maar nee, om te gaan bedelen, dat vervloek ik toch ook! Want het is helemaal een kwestie van ... laat ik veel zeggen: tienduizend gulden subsidie. Dan kon ik mijn gezelschap verbeteren en dan kon ik me weer heerlijk en voluit geven aan m'n kunst . We zouden er koninklijk komen! Maar hier in Holland zie ik geen kans om dat te krijgen.'


Louis Bouwmeester in de koets die hem rondreed bij zijn 60-jarig jubileum, stilstaand voor het Americain Hotel in Amsterdam. Foto: fotobureau Holland. Collectie Theater Instituut Nederland.

Postuum eerbetoon
In 1955 werden als eerbetoon aan Louis Bouwmeester en zijn zus Theo Mann-Bouwmeester twee toneelprijzen naar hen vernoemd. De Louis d'Or en Theo d'Or worden jaarlijks uitgereikt door de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) voor respectievelijk de meest indrukwekkende mannelijke en de meest indrukwekkende vrouwelijke, dragende rol.

Aan het eind van de twintigste eeuw bleek het familiegraf van de Bouwmeesters op begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam zich in zeer slechte staat te bevinden. De grafsteen was omgevallen en deels afgebroken. Het Theater Instituut Nederland zette een inzamelingsactie op touw, en met de opbrengsten daarvan werd in 2003 het graf gerestaureerd.


Gerestaureerd familiegraf van Louis Bouwmeester, echtgenote Jeike Bouwmeester-de Boer, zoon Rafaël Bouwmeester en dochter Louise Bouwmeester. Foto: Roel Bogaards.

bronnen: De Bouwmeesters. Kroniek van een theaterfamilie van Simon Koster (Assen 1973) en Louis Bouwmeester. Herinneringen aan een groot Nederlander. samengebracht door Cor Dommelshuizen jr. (Hoorn 1942).
 
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
Louis Bouwmeester (1842-1925) als Robbeknol in De Spaansche Brabander
 
Alleen in Louis Bouwmeester
1860
1870
1880
1890
1900
1910
1920
1930
1940
1950