Een leven lang theater Theaterencyclopedie Erik Vos

Parijs


Affiche van de film Les Enfants du Paradis van Marcel Carné (Frankrijk 1945).
Tijdens zijn studie in Utrecht ziet Erik Vos de film Les enfants du paradis van Marcel Carné (Frankrijk 1945), met mimespeler Jean-Louis Barrault. Dit maakt grote indruk op hem en hij besluit dat hij mimespeler wil worden. Zijn moeder is hier fel op tegen, maar toch vertrekt hij in 1949 liftend naar Parijs om zijn doel te bereiken.

Hij probeert het eerst bij een circus, maar daar kunnen ze hem niet helpen. Hij krijgt hier wel het advies om mimespeler Marcel Marceau op te zoeken. De eerste vraag die Marceau hem stelt, is of dit een bevlieging is of dat Vos mimespeler voor het leven wil worden. Als hij het laatste antwoordt, stuurt Marceau hem door naar Etienne Decroux, die naast Marceau ook Jean-Louis Barrault heeft lesgegeven. Later zegt Vos over Decroux: “Een geniaal mens, een wroeter en hakker in het bos van het toneel. Hij zoekt steeds naar iets nieuws en experimenteert met de mens in de ruimte. Decroux speelde het klaar om de mime als een lichamelijk ritme te doen ervaren en ik hoop dat als erfenis van hem te hebben meegekregen”. (Bron: onbekend, 1957)

Ettiene Decroux
Etienne Decroux.
Vos huurt een kamertje, acht hoog op Montmartre, en gaat lessen volgen bij Decroux. Ook Decroux stelt hem een vraag: “Wil je de mime dienen of wil je je bedienen van de mime?” Vos kiest het juiste antwoord, het eerste, en is vanaf dan officieel leerling van de grondlegger van de mime. Samen met vijf anderen leert hij zijn lichaam op alle mogelijke manieren te bewegen en te gebruiken. Elk onderdeel moet in staat zijn om los van de rest te bewegen.

In het begin voelt Vos zich niet op zijn gemak bij Decroux. Hij heeft het gevoel dat hij totaal geen controle over zijn lichaam heeft, hij is veel te stijf. Decroux noemt hem zelfs ‘van hout’. Hij blijft echter doorgaan, en op een dag mag hij van zijn leermeester op het toneel een boom uitbeelden, zonder zijn armen te gebruiken en met een doek voor zijn gezicht. Het lukt hem niet dit goed te doen, maar voor het eerst voelt hij dat er in zijn lichaam een verandering plaatsvindt. Hij blijft hierna doorrepeteren op die boom en komt na een tijdje tot de conclusie dat hij zich niet moet focussen op wat hij wil uitdrukken, maar op wat hij wil zijn.

“Ik spande mij in om aan winter te denken in Hellendoorn waar ik geboren ben. Bomen, met sneeuw op de takken. Taken kon ik evenwel niet laten zien met mijn geïmmobiliseerde armen. Ik dacht aan kou en vroeg mij af hoe ik zonder gezichtsuitdrukking kou zichtbaar kon maken. Ademen met kou in mijn hart. Ik registreerde dat zich iets aan mij voltrok dat ik niet kende. Een geringe verandering vond plaats.” (Bron: Boek In de arena, Erik Vos, 1999)
 
Na een jaar mag Vos voor het eerst meespelen in een voorstelling van Decroux, Les Petits Soldats. Decroux is echter niet in staat om iets te maken dat afgerond is, hij blijft hangen in het proces. Zijn ideeën zijn goed, maar het lukt hem niet om ze tot uitdrukking te brengen. Zijn voorstellingen zijn dan ook praktisch altijd fiasco’s, dit geld ook voor Les Petits Soldats. Toch werken Vos en zijn medespelers er keihard aan, overtuigd dat ze met iets groots en vernieuwends bezig zijn. Achteraf ziet Vos deze periode als de meeste vruchtbare van zijn ontwikkeling.

Les petits soldats
Les Petits Soldats’, bij Decroux in Parijs, 1950/51. Erik Vos tweede van links. Foto: Privécollectie.

Na twee jaar heeft Vos het gevoel dat hij verder moet. Hij begint te begrijpen wat Decroux bezieling geeft en hij heeft geleerd dat het onmogelijke mogelijk is. Hij is echter toe aan meer dramatische onderlegging, en daarom verlaat hij Decroux. Dit is tevens de laatste keer dat hij en Decroux elkaar spreken, de laatste ziet Vos als een verrader nu hij bij hem weggaat.


Pjotr Sjarov aan het werk. Foto F.L. Lemaire. Collectie Theater Instituut Nederland.
Na zijn leertijd bij Decroux verlaat Vos Parijs en gaat naar de Toneelschool in Amsterdam.
In tegenstelling tot zijn tijd bij het mimetheater, vindt hij hier geen inspiratie. De school is burgerlijk en creativiteit wordt er in geen enkele les gevraagd. De enige uitzonderingen zijn de lessen van de Rus Pjotr Sjarov. Hij is gastregisseur bij de Nederlandse Comedie en geeft ’s avonds lessen aan de Toneelschool. Bij hem gaat het om emoties en hij straalt inspiratie uit. Van hem leert Vos dat je op het toneel nooit zomaar iets mag doen, er moet altijd een betekenis zijn en er mag niets worden overgeslagen. Na Decroux is Sjarov Vos’ tweede belangrijke leermeester:

“De jaren dat Sjarov les gaf, waren grote ervaringen. Als regisseur is Sjarov een heel uitzonderlijke man, die niet zijn wil oplegt aan de acteurs, maar als het ware het meest waardevolle in hen ontbolstert. Hij wil dat je eerlijk speelt, dat je het allerdiepste uit het materiaal puurt. Hij ziet de regisseur als een ‘heilige rover’. Bij hem moet je continu blijven stralen als een denkend en voelend wezen.” (Bron: onbekend, 1957)

In het tweede jaar krijgt Vos van zijn leraren te horen dat hij niet geschikt is als acteur. Hij heeft dit zelf ook al in de gaten en gaat zich meer richten op het regisseren van studententoneel. Dit blijkt hem veel beter te liggen, het gaat hem zelfs zo goed af dat er special voor hem een regieopleiding wordt gestart. Hij regisseert daarin zijn medestudenten van de acteursopleiding en in 1955 is hij de eerste in Nederland die eindexamen regie doet.

Bron: Boek In de arena, Erik Vos, 1999

 
Een leven lang theater: Erik Vos
Een leven lang theater: Erik Vos
 
Alleen in Erik Vos
1950
1960
1970
1980
1990
2000
2010
2020
2030
2040