Over haar werkwijze en die van Han
Niets aan het noodlot overlaten
"Ik ben gezegend met een goed lijf, heb weinig blessures gehad. Ik was wel altijd heel gespannen voor ik opging. Maar nooit zoals andere mensen, bijvoorbeeld zoals Han, daar werk ik echt gek van. O, die kon zo nerveus zijn. Waar we ook dansten, overal was hij nerveus. Hij kwam ook altijd zo laat mogelijk het toneel op. Ik ben heel anders, ik moet me zeker kunnen voelen. Ik moet om halfzes in het theater zijn, ik moet me schminken, ik moet me mooi voelen, mijn spitzen moeten in orde zijn. Ik mag van mezelf absoluut niets aan aan het noodlot overlaten. Maar Han was zo'n neuroot. Als we hem riepen moest hij nog even gauw naar het toilet. Je kon amper voor de voorstelling nog even een barre met hem doen. Ik deed altijd een hele training vooraf. Voor het doek opging had ik al een heel Zwanenmeer achter de rug, een complete. Dan stond Han met open mond te kijken. Wat doe je nu, ik zou geen pas meer kunnen verzetten. Dat deed ik altijd, dan werd je intens warm, kreeg je geen krampvoeten. En dan was ik helemaal opgeladen, dan danste ik zo gemakkelijk. Ik kon echt twee keer achter elkaar hoor."
Geciteerd uit: Vrij Nederland, 7 juni 1997